Grijze eekhoorn

De grijze eekhoorn (Sciurus carolinensis) is van oorsprong een Noord-Amerikaans zoogdier uit de klasse knaagdieren (Rodentia) en behoort tot de eekhoorn familie (Sciuridae).

Omschrijving

De grijze eekhoorn lijkt op de Europese eekhoorn, maar heeft een grijs vel. De kleur varieert van helder zilvergrijs tot zeer donker zwartgrijs. Een roodachtige kleuring komt voor, maar is zeer zelden. Met een hoofd- en romp lengte van 30 centimeter en een staartlengte van 20 centimeter is de grijze eekhoorn iets groter dan de Europese eekhoorn. Het weegt 400 tot 710 gram en is licht herkenbaar aan het feit dat het geen kleine haarplukjes, de zogenaamde kwastjes, aan de oren heeft.

Spreidingsgebied

Het spreidingsgebied van de grijze eekhoorn omvat de oostelijke helft van de USA tot het Zuidoosten van Canada. Door de mens werd de grijze eekhoorn ook in Engeland, Ierland en Italië ingevoerd. Dit bracht voor de Europese eekhoorn catastrofale gevolgen met zich mee, welke in Engeland door de concurrentie van de grijze eekhoorn bijna is uitgestorven. In Italië deed een zich bijna zelfde situatie voor en men verwacht voor het komende decennium een verdere verspreiding van de grijze eekhoorn naar Midden-Europa. Ook zijn er in Zuid-Afrika dieren succesvol uitgezet.

Leefgebied

De grijze eekhoorn vindt zijn thuis weliswaar in het bos, waar het in het kreupelhout onderdak voor vijanden vindt. Maar het bevindt zich in vele plaatsen ook in parken en tuinen. Het nest wordt of in de takken van bomen of in holle boomstammen van zacht materiaal, zoals mos of droog gras en veren, gebouwd. Als voeding verzamelt het zaden en verschillende knoppen, zoals van de spar, beuk en berk. Het eet echter ook boomschors en paddestoelen, wanneer het in de wintermaanden geen alternatieve voedselbronnen ter beschikking heeft.

Voortplanting

De voortplanting van de grijze eekhoorn lijkt veel op die van de Europese eekhoorn. Omdat er geen nauwe paringstijden zijn kan het bij ideale omstandigheden tot 3 worpen in één jaar komen. De paartjes blijven niet levenslang bij elkaar. De mannetjes hebben geen aandeel in grootbrengen van de jongen en verlaten na de paring het vrouwtje. Het vrouwtje houdt zich dan bezig met het bouwen van het nest. De draagtijd van de vrouwtjes ligt tussen 42 en 45 dagen. De jongen zijn na de geboorte naakt en blind en moeten in de eerste weken alle 3 tot 4 uur gezoogd worden. Als de jongen 7 weken oud zijn verlaten ze voor de eerste keer het nest om speels de vaardigheden te leren, die ze als volwassene nodig zullen hebben. Beetje bij beetje gewennen de jongen aan vast voedsel en worden uiteindelijke in een tijd van 10 weken ontwent, waarna ze ongeveer een maand later het moederlijke nest voorgoed zullen verlaten.